Historie

COMMANDERIJ VAN DE DUITSE ORDE — De ontstaansgeschiedenis van de Biesenhof gaat terug tot in de vroege dertiende eeuw toen de hoeve vermoedelijk in bezit was van de abdij St. Vaast te Atrecht (Arras, Noord-Frankrijk). De eerste bewaard gebleven vermelding van dit goed dateert uit 1259, toen vrouwe Aleidis als weduwe van Willem van Beekhoven, de voogd van Beek een stuk landbouwgrond met huis verkocht aan de Teutoonsche oftewel Duitse Orde. In een roerige tijd waarin regelmatig gewapende kruistochten plaatsvonden om het Heilige Land te bevrijden, was het doel van de Duitse Orde pelgrims en kruisvaarders te beschermen en te verzorgen. Naast die geestelijke taak was de orde ook duidelijk gericht op militaire activiteiten, waardoor zij hoge adellijke c.q. wereldlijke macht verwierf. Er werden verschillende ridderhuizen of commanderijen gesticht waaronder ook de commanderij ‘Kleine Biesen’, ofwel de Biesenhof. Deze functioneerde tot 1468 als ridderhuis, de plek waar de commandeur verbleef en zijn ridders aanstuurde. Deze commanderij viel onder het gezag van de landcommanderij (balije) van Alden Biesen bij Bilzen in België. Zoals de naam Kleine Biesen al doet vermoeden was de Biesenhof geen grote commanderij. In Maastricht werd rond 1360, ongeveer een eeuw later, een commanderij opgericht van groter formaat: de ‘Nieuwe Biesen’. Dit goed was dermate van belang dat hier tegen het einde van de vijftiende eeuw de nieuwe hoofdzetel van de landcommanderij werd gevestigd. De Kleine Biesen droeg ondanks het formaat bij aan het grondbezit van de balije Biesen.


DE BIESENHOF ALS PACHTHOEVE — Naast het gebruik als ridderhuis had de Kleine Biesen van oorsprong voornamelijk een agrarische functie. De ongeveer acht bunder akkerland, die vrouwe Aleidis aan de Duitse Orde verkocht zullen niet onbenut zijn gebleven. Na 1468, toen de commanderij Kleine Biesen werd opgeheven, werd de Biesenhof met het omringende landschap in gebruik genomen als pachthoeve. Onder toezicht van de ridders van de Duitse Orde werd de hoeve door verschillende pachters bewoond. Ter vergoeding moesten zij jaarlijks een deel van hun goederen afstaan. Oorspronkelijk was dit ongeveer de helft van de oogst, waardoor pachters ook wel ‘halfers’ of ‘halfwinners’ werden genoemd. In de vijftiende eeuw was dit aanzienlijk minder. Men moet bij deze vorm van winning en afdracht denken aan een gedeelte van het geoogste goed zoals rogge en haver, een gedeelte van het vee zoals lammeren en varkens, een deel van de vruchtopbrengst en de kruiden, enzovoorts. Een groot aantal landerijen en weilanden in deze omgeving zijn in het bezit geweest van de Duitse Orde. De Franse bezetters brachten hier verandering in. In 1795 werd de Biesenhof, zoals de hoeve werd genoemd, inclusief landerijen door de Fransen als “geestelijk goed“? geconfisqueerd en aan particulieren verkocht. De hoeve was tot 1804 in bezit van Werner Joseph Wulff van Hoensbroek die het doorverkocht aan de familie Schoenmakers. Deze familie maakte het woonhuis rond 1815 geschikt voor dubbele bewoning. Zoon Martin Joseph kwam rond 1860 op de hoeve wonen en nam de bedrijfsvoering in eigen hand, geassisteerd door een rentmeester (bedrijfsleider). Omstreeks 1880 was de Biesenhof weer een pachthoeve die negen jaar later werd gekocht door notaris Russel. De laatste pachter en voormalig eigenaar van deze boerderij was de familie Peters.

 
 
Een historisch monument waar heden en verleden samenkomen.